10.6.09

Brieven aan Doornroosje

Doornroosje,

De waarheid is: ik ben al honderd jaar op weg naar jou. Ik ben meteen op weg gegaan, toe jij je prikte aan die naald en ik van een reiziger hoorde hoe je had gegild. ’Een zoete gil, prins,” zei hij. ’Ik vond dat zó dwaas, zó onmogelijk en daarom zó verschrikkelijk dat ik meteen op weg ging. Iemand die zoet kan gillen, die wil ik troosten. Toen ik al onderweg was hoorde ik dat je sliep. En niet lang daarna hoorde ik dat je honderd jaar zou slapen. Dus moest ik honderd jaar reizen. Dat heb ik gedaan. Uiterst langzaam heb ik gereisd. Voetje voor voetje ben ik door woestijnen geschuifeld, met mijn handen met gespreide vingers roeiend ben ik in wrakke bootjes oceanen overgestoken. Niet te vlug. Niet te vlug! Geloof me maar. Als je me niet gelooft, heb je niets aan me. Geloof maar dat ik je onweerstaanbaar (wat een woord!) zal kussen. Ik, van mijn kant, geloof dat jij zoet hebt gegild en nu slaapt. Ik ben dus honderd jaar op weg, jij slaapt honderd jaar. Voor ons beiden is het als de dag van gisteren: toen ik vertrok, toen jij in slaap viel. En het is als de dag van morgen dat ik aan je denk. (daar moet ik wel even over nadenken, want wat bedoel ik daarmee?)

Doornroosje, je aandoenlijke, stokoude, nu vrijwel eeuwige, verre vriend groet je. Zijn schoenen zijn versleten, zijn gedachten ratelen in cirkels rond. Hij houdt van je.

P.
- uit " Brieven aan Doornroosje" van Toon Tellegen





No comments: